Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Rechtspraak

1903

Een dier kan niet handelen in strijd met het objectieve recht en in die zin niet wederrechtelijk aanvallen, aldus de Hoge Raad in een zaak betreffende een zogenaamde Veghelse hond, die een fietser had aangevallen en door deze daarna met een geweerschot werd gedood. [29]

1915

Als een dier wordt gebruikt als instrument door een mens, kan er wel sprake zijn van wederrechtelijke aanranding. De aanranding gaat dan namelijk uit van de mens en niet van het dier zelf. In het zogenaamde “politiehond-arrest” speelde zich het volgende af: een stroper werd op heterdaad betrapt door een politieman bij het zetten van wildstrikken en was op de vlucht geslagen, waarbij het bevel om stil te staan werd genegeerd. De politieman liet vervolgens zijn honden op hem af, waarvan de stroper er één doodde. De rechtbank oordeelde dat de politieman gepaste middelen had aangewend om de stroper tot stilstaan te brengen en derhalve rechtmatig had gehandeld. Daardoor werd het beroep op noodweer verworpen, hetgeen de Hoge Raad juist oordeelde. [30]

1988

In 1988 moest de Hoge Raad de vraag beantwoorden of een aanranding ook van het verkeer kan uitgaan. Van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan slechts sprake zijn als die aanranding uitgaat van een persoon. Het verkeer als zodanig kan niet wederrechtelijk handelen. [31]

2003

In deze zaak werd verdachte door agenten gesommeerd zich te verwijderen van een plein. Hij gaf daar echter geen gevolg aan en uitte dreigende taal naar de agenten toe. Daardoor werd hij vervolgens aangehouden. Verdachte verweerd zich hevig tegen zijn aanhouding. Volgens het hof was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de agenten. Daardoor werd het beroep op noodweer verworpen. De Hoge raad verwierp het beroep. Volgens de Hoge raad bleek niet dat de aanhouding disproportioneel was. Daardoor moest de aanhouding voor rechtmatig worden gehouden en was de aanranding door de agenten tegen het lijf van verdachte dus niet wederrechtelijk. [32]


[29] HR 11 mei 1903, W 7928.
[30] HR 3 mei 1915, NJ 1915, 813.
[31] HR 14 juni 1988, NJ 1989, 212.
[32] HR 25 februari 2003, LJN AF1931.