Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Rechtspraak

1990

Tussen verdachte en het latere slachtoffer vond een confrontatie plaats, waarbij het slachtoffer verdachte met een mes verwondde en verdachte enige schoten in de lucht loste. Toen het slachtoffer zich van de plek waar de confrontatie zich afspeelde verwijderde, concentreerde verdachte zich op het herladen van zijn vuurwapen. Toen hij daarna opkeek en zijn moeder – die even tevoren op straat door het slachtoffer was bedreigd en die hij verzocht had de politie in te schakelen – niet meer zag, ging hij ervan uit dat zij zich in de dierenwinkel, waar ze eerder die ochtend samen aan het werk waren geweest, had teruggetrokken. Het is het hof niet duidelijk geworden of verdachte het slachtoffer de winkel in zag gaan of dat alleen maar dacht. Wel staat vast dat verdachte met schietklaar pistool de winkel is ingegaan. Daar vond de tweede confrontatie plaats, toen slachtoffer dreigend op verdachte afkwam en wederom zijn mes tevoorschijn haalde. Op dat moment loste verdachte dodelijke schoten op het slachtoffer. Verdachte’s moeder bleek achteraf niet de winkel te zijn ingegaan. Het hof overwoog dat verdachte mocht menen dat hij zijn moeder tegen het slachtoffer moest beschermen, maar in de verdediging wel te ver was gegaan Daarom honoreerde het hof het beroep op putatief noodweerexces. [77]

1993

Verdachte voelde zich bedreigd, toen hij meende dat hij een wapen in de hand van het latere slachtoffer zag. Bovendien wilde verdachte zijn kind beschermen, dat hij op de arm droeg. Verdachte heeft toen op het slachtoffer geschoten, maar zonder dodelijke afloop. Het hof was van mening dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat het slachtoffer een wapen in zijn hand had. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel niet onbegrijpelijk en kan het niet op juistheid in cassatie worden getoetst. [78]

1994

Na een avondje stappen, ging verdachte met zijn vrienden weer naar huis. Verdachte loopt enkele meters voorop en heeft een goed humeur. Verdachte kwam het latere slachtoffer met zijn vriendin op straat tegen en vroeg hoe het ging. Het slachtoffer was daar echter niet van gediend en gaf verdachte een duw. Een vriend van verdachte liep een eindje achterop en dacht dat zijn vriend werd aangevallen. Daarop deelde verdachte’s vriend enkele klappen uit. Vervolgens werden er over en weer klappen uitgedeeld. Het slachtoffer liep door het gevecht zwaar lichamelijk letsel op. Het hof verwierp het beroep op putatief noodweer en overwoog: “aangezien niet aannemelijk is geworden dat de verdachte dan wel de medeverdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding althans tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding en evenmin dat het handelen van de verdachte dan wel de medeverdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging.” De Hoge Raad kon zich in de motivering van het hof vinden. [79]

1997

Nadat verdachte drie dagen eerder vier leden van een motorclub had neergestoken, werd hij op de openbare weg klemgereden door twee auto’s. Uit één van die auto’s stapten vier mannen, waarvan er één probeerde verdachte uit de auto te trekken. Verdachte probeerde nog te ontkomen, maar dat lukte niet. Tussen verdachte en de vier mannen is vervolgens een vuurgevecht ontstaan. Het was voor verdachte niet mogelijk vast te stellen dat hij met de politie te maken had. De agenten verklaarden echter diverse malen te hebben geroepen dat ze van de politie waren en dat ze verdachte wilden aanhouden. Toen verdachte de handboeien omhad, kreeg hij in de gaten dat de vier mannen van de politie waren. Het hof acht aannemelijk dat verdachte in de veronderstelling verkeerde te handelen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Derhalve is het hof van oordeel dat verdachte dwaalde ten aanzien van de rechtmatigheid van de aanhouding. Het beroep op putatief noodweer slaagt. [80]

1999

“G., die met veel lawaai toegang tot de woning van S. afdwong, werd door K. binnengelaten. Verdachte was ook in die woning. G deed de voordeur achter zich meteen op de grendel en ging verdachte met een ijzeren staaf te lijf. K. stond daarnaast en week niet af van de zijde van G. Verdachte werd met geweld de keuken ingedrongen. K. bleef ook daarbij. Vervolgens werd verdachte door G. achterwaarts naar de hoek van de woonkamer gedrongen. K. volgde op de voet. G. bleef met de staaf op verdachte inslaan. Op zeker oment hoorde S. door K. aan G. vragen: doe jij het of doe ik het, of woorden van dergelijke strekking. Als G. dan tot bloedens toe op het hoofd van verdachte slaat, schiet verdachte hem neer. Kort daarna schiet hij nogmaals op G. en eenmaal op K.” De rechtbank honoreerde het beroep op noodweerexces ten aanzien van G en wees noodweer/noodweerexces ten aanzien van K. af. Het hof overwoog ten aanzien van K.: “Al blijkt onvoldoende van werkelijke fysieke agressie door K. en faalt het beroep van verdachte op noodweer en daarmee op noodweerexces, verdachtes handelen wordt gerechtvaardigd door zijn gegronde vrees, versterkt door de emoties van het moment, dat hij zich tevens diende te verdedigen tegen K. Daarmee slaagt zijn beroep op putatief noodweer.” [81]


[77] Hof Den Haag 1 maart 1990, NJ 1990, 507.
[78] HR 2 februari 1993, NJ 1993, 537.
[79] HR 7 juni 1994, NJ 1994, 690.
[80] Hof Den Haag 28 februari 1997, NJ 1997, 373.
[81] Hof Den Haag 13 oktober 1999, NJ 2000, 178.