Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Rechtspraak

1941

Het latere slachtoffer had gedurende ongeveer een jaar ontuchtige handelingen gepleegd met verdachte. Na diverse malen bedreigd te zijn door het latere slachtoffer, zag verdachte uiteindelijk geen andere uitweg meer dan door geweld een einde te maken aan de situatie. Verdachte vertrok met een bijl als wapen naar de woning van het latere slachtoffer. Daar aangekomen sloeg verdachte het slachtoffer twee maal met de bijl op het hoofd, tengevolge waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep. De rechtbank honoreerde het beroep op psychische overmacht en overwoog dat verdachte door het slachtoffer werd bedreigd gedurende langere tijd en dat van verdachte niet verwacht mocht worden te reageren op een manier zoals dat van een volwassene verwacht mag worden. Verdachte was namelijk nog maar 17 jaar. [131]

1976

In deze zaak had verdachte geweld gebruikt tegen materieel van de politie door met stenen te gooien. Op het moment dat de politie bezig was woningen te ontruimen en daar geweld bij gebruikte om de woningen binnen te kunnen komen voelde verdachte zich gedrongen door overmacht daar iets tegen te doen. Het hof overwoog dat van verdachte mocht worden gevergd, dat hij zich zodanig in de hand hield, dat hij niet met agressiviteit op het politieoptreden zou reageren. De Hoge Raad kon zich in de motivering van het hof vinden. [132]

1978

Verdachte had samen met zijn vriendin haar ex om het leven gebracht, door met een ijzeren raamgewicht het slachtoffer op het hoofd te slaan. Verdachte’s vriendin had zes jaar een relatie met het slachtoffer. Toen de relatie werd verbroken en zij een relatie met verdachte kreeg, werden zij en haar nieuwe vriend voortdurend door het slachtoffer bedreigd. Het slachtoffer eiste uiteindelijk dat zij de relatie met verdachte verbrak. Daardoor is verdachte in een steeds heviger wordende stress-toestand terecht gekomen en zag geen andere uitweg meer dan het slachtoffer te doden. De rechtbank accepteert het beroep op psychische overmacht en overweegt onder meer: “en dat verdachte in die toestand geen weerstand heeft kunnen bieden aan de daardoor ontstane drang om aan die voor zijn bestaan (…) als uiterst bedreigende ervaren situatie een einde te maken.” De rechtbank houdt daarbij rekening met het door de deskundigen vastgestelde debiel niveau van functioneren, ontoereikende scholing en opvoeding. [133]

2001

Verdachte was jarenlang getuige van het feit dat zijn vader zich erg agressief gedroeg binnen het gezin. Er was sprake van zowel verbaal als fysiek geweld. Dit richtte zich met name tegen de moeder van verdachte. Het ging zelfs zover, dat de vader van verdachte ook met wapens dreigde. Toen de vader van verdachte op een avond in bed lag met een schietklaar pistool in zijn hand, zag verdachte kans een einde te maken aan de jarenlange bedreigingen. Hij pakte het pistool uit de hand van zijn vader en schoot zijn vader dood. De rechtbank overwoog: “Aldus is het handelen door de verdachte niet goed anders te begrijpen, dan langs de lijnen welke door de rapporterende deskundigen daarvoor zijn gegeven en waaruit blijkt, dat er voor verdachte – gelet op de instinctmatigheid waarmede dat heeft plaatsgevonden – een bewuste keuze voor alternatieven kennelijk niet meer open stond.” Het beroep op psychische overmacht werd dan ook toegewezen. [134]

2006

Verdachte heeft haar vriend doodgestoken, omdat zij werd mishandeld en getreiterd door haar vriend. Verdachte stelt dat er bij haar iets “knapte”, waardoor zij het feit pleegde. Ze doet een beroep op psychische overmacht. De rechtbank achtte aannemelijk dat door het slachtoffer druk op verdachte werd uitgeoefend, maar niet dat verdachte in redelijkheid niet anders kon handelen dan zij deed. Verdachte had meer meerstand moeten bieden tegen de psychische druk, en door het doodsteken van haar vriend handelde zij disproportioneel. [135]


[131] Rechtbank Rotterdam 3 april 1941, NJ 1941, 665.
[132] HR 14 december 1976, NJ 1977, 174.
[133] Rechtbank Rotterdam 3 januari 1978, NJ 1979, 465.
[134] Rechtbank Maastricht 20 februari 2001, LJN AB0179.
[135] Rechtbank Alkmaar 7 november 2006, LJN AZ1794.