Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Rechtspraak

1964

In een door mij al eerder behandelde zaak, had verdachte (een invalide man) het slachtoffer met een breekijzer op het achterhoofd geslagen. Dit gebeurde nadat het slachtoffer verdachte twee maal bij de keel had gegrepen, waardoor verdachte geen lucht meer kon krijgen. Door het slachtoffer op het hoofd te slaan met een breekijzer, terwijl het slachtoffer ongewapend was, overschreed verdachte de grenzen van noodzakelijke verdediging. Daardoor ontsloeg het hof verdachte op grond van noodweerexces van alle rechtsvervolging. [84]

1968

In een café speelde zich het volgende af: Slachtoffer eiste van verdachte een aandeel in het door verdachte geëxploiteerde speelhuis. Verdachte weigerde dit, aangezien het slachtoffer geen vergoeding voor dat aandeel wenste te betalen. Daarop begon het slachtoffer verdachte te slaan en te schoppen, waardoor de rechter enkel van verdachte brak. Nadat de barkeeper tussenbeide was gekomen, viel het slachtoffer verdachte opnieuw aan. Verdachte was erg bang, te meer omdat verdachte wist dat het slachtoffer de vechtmethode “kung foe” beheerste. Omdat het voor verdachte onmogelijk was te vluchten, loste hij een schot met zijn pistool op het slachtoffer. De rechtbank achtte aannemelijk dat verdachte handelde ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, maar daarbij wel de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Daardoor werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van noodweerexces. [85]

1975

In deze zaak werd het zogenaamde “extensief exces” geïntroduceerd in de rechtspraak. Verdachte had diverse stompen aan het slachtoffer uitgedeeld en ging daarmee door, op het moment dat het slachtoffer al op de grond lag. Het hof oordeelde dat er sprake was van noodweer, door de klappen aan het slachtoffer uit te delen, voordat die op de grond lag. Voor de klappen die volgden, nadat het slachtoffer inmiddels op de grond lag, was er volgens het hof geen sprake van noodweer/noodweerexces. De Hoge Raad vernietigde het arrest en overwoog dat het hof niet stilzwijgend voorbij mocht gaan aan het beroep op noodweerexces, gedaan voor de klappen die volgden toen het slachtoffer inmiddels op de grond lag. [86]

1988

In deze zaak begon de verdediging op het moment dat de aanval reeds was afgelopen. Deze vorm van “extensief exces” wordt ook wel “tardief exces” genoemd. Het slachtoffer probeerde verdachte tussen zijn benen te trappen en raakte hem daarbij aan de binnenzijde van zijn linker bovenbeen. In een reflex gaf verdachte toen een klap aan het slachtoffer. Volgens het hof was er geen sprake van noodweer/noodweerexces, omdat voor verdachte geen vrees bestond voor een (herhaalde) aanranding en zijn handelen puur een reactie was op het schoppen door het slachtoffer. Daardoor handelde verdachte niet ter noodzakelijke verdediging. De Hoge Raad was het daar niet mee eens, aangezien het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat het handelen van verdachte het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging door de aanranding veroorzaakt en waarbij de grenzen zijn overschreden. [87]

1992

In deze zaak waarin de verdachte het slachtoffer in het gezicht sloeg, nadat het slachtoffer eerst verdachte had geslagen, bevestigde het hof het vonnis van de politierechter. Volgens de politierechter bevond verdachte zich niet in een noodweersituatie, aangezien verdachte zich had kunnen onttrekken aan de aanval. De Hoge Raad was het niet met het hof eens en herhaalt het standpunt ingenomen in: HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 511. Het hof liet de mogelijkheid open dat het bewezenverklaarde het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, welke door de voorafgaande aanranding is veroorzaakt. [88]

1993

In dit arrest kwam de Hoge Raad met een algemene overweging wanneer van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging sprake kan zijn. Verdachte was het slachtoffer aangevlogen, omdat hij tegen de auto van verdachte had aangeschopt. Het hof oordeelde dat niet aannemelijk geworden was dat voor verdachte de noodzaak bestond zich en zijn auto te verdedigen. Reeds daarom kon volgens het hof ook geen sprake zijn van noodweerexces. De Hoge raad kon zich in het standpunt van het hof vinden, maar voegde daar wel een belangrijke overweging aan toe. Van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan ook sprake zijn indien op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijk aanranding. [89]

2007

De Hoge Raad bevestigt de lijn zoals uiteengezet in het arrest van 18 mei 1993, NJ 1993, 691. Van noodweerexces kan ook sprake zijn indien de noodweersituatie reeds is beëindigd. [90]


[84] Hof Leeuwarden 12 maart 1964, NJ 1965, 296.
[85] Rechtbank Amsterdam 31 juli 1968, NJ 1968, 355.
[86] HR 27 mei 1975, NJ 1975, 463.
[87] HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 511.
[88] HR 8 december 1992, NJ 1993, 322.
[89] HR 18 mei 1993, NJ 1993, 691.
[90] HR 20 februari 2007, LJN AZ5716.