Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Rechtspraak

1932

Een dreigende houding aannemen, betekent nog niet dat er sprake is van een ogenblikkelijke aanranding. Toen verdachte bij zijn buurman op het erf kwam, werd de buurman woedend (ze leefden in onmin met elkaar) en liep dreigend met een moker en een stuk ijzer op verdachte af. De verdachte vreesde dat de buurman hem zou aanvallen en ging daardoor zelf tot de aanval over door de buurman met een bijl op het hoofd te slaan. De Hoge Raad overwoog, dat de enkele vrees dat men zal worden aangerand door iemand die een dreigende houding aanneemt, welke vrees zelfs denkbeeldig kan zijn, daar een dreigende houding bij een bedreiging kan blijven, nooit tot een rechtvaardiging kan strekken van het alvast zelf tot de aanval overgaan. [13]

1937

Er moet in ieder geval een onmiddellijk gevaar voor een aanranding aanwezig zijn, wil men van aanranding kunnen spreken. Niet vereist is echter dat voor toepassing van art. 41 Sr noodzakelijk zou zijn dat er ernstig letsel of levensgevaar dreigt. [14]

1943

Iemand die meent recht te hebben op de levering van een goed mag zichzelf daar nog niet door middel van eigenrichting de macht over proberen te verschaffen. In de jaren veertig vond er onenigheid plaats over de levering van een koe. De verdachte weigerde om een aan hem toebehorende koe aan een ander te leveren. Het slachtoffer probeerde met geweld tegen de wil van de eigenaar in zich van het dier meester te maken. De verdachte sloeg vervolgens met een stok op de arm van het slachtoffer om hem dat te beletten. Dit geschiedde in noodweer. [15]

1965

In 1965 heeft de Hoge Raad het begrip aanranding opgerekt. De Hoge Raad overwoog namelijk dat onder aanranding niet alleen gedragingen moeten worden begrepen die kunnen worden beschouwd als een feitelijke aantasting van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, maar ook gedragingen die een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor opleveren. [16]

1974

Dat alleen de vrees voor de aanranding niet voldoende is, bevestigde de Hoge Raad nogmaals in 1974. Verdachte gaf met een glas in zijn hand het slachtoffer een slag in het gezicht, omdat hij vreesde dat het slachtoffer, die met zijn rechterhand de rechterhand van verdachte, waarmee deze dreigend voor het gezicht van het slachtoffer stond, had weggeslagen, hem daarop een linkse directe zou geven. Al zou aannemelijk zijn geworden dat het slachtoffer de rechterhand van verdachte had weggeslagen, dan nog is er geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, aldus de rechtbank. Het hof bevestigde het vonnis met overneming van de gronden. De Hoge Raad stemde hiermee in. [17]

1974

In de Bijlmer te Amsterdam deed zich het volgende voor: Een politieagent maakte buiten diensttijd gebruik van zijn dienstwapen. De verdachte bevond zich op een smalle galerij tegenover een opdringende groep mensen en voelde zich bedreigd.

De rechtbank was van mening dat hier geen sprake was van een ogenblikkelijke aanranding. [18]

1975

De rechtbank Dordrecht kreeg een zaak voorgelegd waarin iemand zijn broer doodschoot. Verdachte leefde in onmin met zijn familie door toedoen van zijn broer Arie, die ouder en sterker was. Verdachte vermeed zoveel mogelijk contacten met Arie. Na een heftige twist met zijn vader en zuster die verdachte waren komen opzoeken in diens werkplaats, kwam Arie enige keren langs en uitte bedreigingen. Verdachte wist zich geen raad en belde o.a. met de politie. Om zichzelf tegen Arie te beschermen haalde hij een geladen jachtgeweer uit zijn werkplaats. Juist toen hij de werkplaats verliet, kwam Arie er weer aan en liep onder het uiten van dreigende taal op verdachte af. Toen Arie op 2 tot 3 meter was genaderd, schoot verdachte op hem. Arie overleed terstond. De rechtbank schildert eerst de bijzondere omstandigheden die tot het schieten aanleiding gaven en oordeelt dat verdachte zich in een echte noodsituatie bevond, omdat de ingeroepen hulp (nog) niet was komen opdagen en omdat er geen uitweg meer voor hem was. De rechtbank oordeelde dat voormelde nadering onder de genoemde omstandigheden redelijkerwijs kan worden beschouwd als een gedraging die voor een ieder onder dergelijke omstandigheden een onmiddellijk dreigend gevaar voor aantasting van eigen lijf oplevert en waartegen verdediging geboden is. [19]

1975

Bij de Hoge Raad diende een schietpartij met dodelijke afloop. De verdachte hoorde van vrienden en kennissen dat een zekere Van de Luijtgaarden en F. hadden laten blijken wraak op hem te willen nemen voor een schot op F. door verdachte waardoor F. gewond raakte. Verdachte kende Van de Luijtgaarden als een gevaarlijke man die niet voor gebruik van vuurwapens terugdeinst. Toen verdachte in een café zat en Van de Luijtgaarden binnenkwam, voelde hij zich bedreigd. Daardoor trok verdachte zijn pistool uit zijn binnenzak en richtte dit op van de Luijtgaarden. Van de Luijtgaarden kwam echter stapje voor stapje op verdachte toelopen, iets voorover, de armen geborgen voor het lichaam, de handen iets naar voren, terwijl hij met grote vreemde ogen verdachte aankeek. Toen Van de Luijtgaarden zijn handen naar boven bracht, was verdachte bang dat hij een vuurwapen zou trekken. Om dit te voorkomen loste verdachte een dodelijk schot op Van de Luijtgaarden. De rechtbank verwierp het beroep op noodweer, “omdat de enkele vrees dat de tegenstander een vuurwapen zal gaan trekken - ook na een voorgeschiedenis als door verdachte geschetst en in een situatie als waarin verdachte en Van de Luijtgaarden zich volgens verklaring van verdachte vlak voor het schieten ten opzichte van elkaar bevonden – niet oplevert een onmiddellijk dreigende aanranding, waartegen pistoolschoten op het lichaam van de tegenstander als verdediging noodzakelijk zijn.” Het hof vernietigt het vonnis ten aanzien van de strafoplegging, maar bevestigt het voor het overige. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank en het hof geen blijk hebben gegeven een onjuiste maatstaf te hebben aangelegd bij de verwerping van de gevoerde verweren. [20]

1976

Opnieuw een schietpartij in deze zaak met dodelijke afloop. In deze zaak ging het om een ruzie tussen bordeelhouders met allerlei bedreigingen met gewelddadigheden. De latere verdachte had voorzorgsmaatregelen genomen (molotovcoctails klaargezet en een geweer binnen handbereik gehouden). Op een nacht dringen mannen zijn bordeel binnen en één van hen loopt door ondanks twee waarschuwingsschoten van verdachte. Wanneer deze onbekende in het duister tot op enkele meters is genaderd, schiet verdachte hem dood. Toen was er, zo werd door de Hoge Raad geoordeeld, sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding hetgeen een noodweersituatie kan opleveren. [21]

1977

In 1977 was bij het Hof te Amsterdam een steekpartij aan de orde. Verdachte liep naar zijn bij een café half op de stoep geparkeerde auto, teneinde daar iets uit te halen. Nadat hij dit had gedaan en de auto had afgesloten, werd hij geconfronteerd met de dreigende aanwezigheid van v. M, die een ontbloot slagersmes tevoorschijn haalde en zich in de onmiddellijke nabijheid van en tegenover verdachte bevond. Het mes viel vervolgens uit de hand van v. M op de grond vlakbij de geparkeerde auto, die zodanig stond dat verdachte belemmerd werd om zich vrijelijk en snel te verwijderen. v. M trachtte zich het bezit van dat mes weer te verschaffen door een van zijn voeten snel in de richting van het mes te bewegen, teneinde die voet op het mes te plaatsen. Voormelde gedragingen leverden een ogenblikkelijke aanranding op van verdachtes lijf. Verdachte geraakte vervolgens in een hevige gemoedsbeweging, dat hij als onmiddellijk gevolg daarvan v.M met het mes heeft gestoken, waarbij verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Het hof honoreerde dit en ontsloeg verdachte van alle rechtsvervolging op grond van noodweerexces. [22]

1977

De Hoge Raad oordeelde dat verdedigen niet meer is toegestaan, indien de aanval is geëindigd. Verdachte kreeg een duw, waardoor hij viel. De aanvaller had zich omgedraaid om zich te verwijderen. Desondanks stak verdachte met een mes. De Hoge Raad ging akkoord met de redenering van het hof, dat de aanranding was geëindigd op het moment dat de aanvaller zich omdraaide om zich te verwijderen. Daardoor geschiedde het steken met het mes niet tegen een ogenblikkelijke aanranding. [23]

2006

Verdachte kwam op het latere slachtoffer afgestormd en begon te spreken over een “belachelijk bedrag” dat het latere slachtoffer aan hem, verdachte, in rekening wilde brengen. Volgens verdachte werd hij eerst geslagen door het latere slachtoffer. Daardoor sloeg verdachte het slachtoffer in het gezicht, die tengevolge daarvan kwam te vallen en een dubbele beenbreuk opliep. Het hof verwierp het beroep op noodweer, nu uit niets bleek dat verdere agressie van het slachtoffer was te verwachten. De situatie noodzaakte niet tot verdediging van lijf of goed. Blijkbaar was het hof van mening dat de ogenblikkelijke aanranding inmiddels was geëindigd. De verdediging had aangevoerd dat het Hof ten onrechte oordeelde dat van een ogenblikkelijke aanranding geen sprake was. Volgens de Hoge Raad berustte die interpretatie op een verkeerde lezing van het Hof. [24]


[13] HR 8 februari 1932, NJ 1932, 617.
[14] HR 22 november 1937, NJ 1938, 990.
[15] Rechtbank Assen 18 mei 1943, NJ 1946, 35.
[16] HR 2 februari 1965, NJ 1965, 262.
[17] HR 8 januari 1974, NJ 1974, 131.
[18] Rechtbank Amsterdam 22 maart 1974, NJ 1974, 258.
[19] Rechtbank Dordrecht 7 maart 1975, 320.
[20] HR 24 juni 1975, NJ 1976, 60.
[21] HR 30 maart 1976, NJ 1976, 322.
[22] Hof Amsterdam 8 februari 1977, 452.
[23] HR 26 april 1977, NJ 1978, 201.
[24] HR 7 februari 2006, LJN, AU8274.