Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Ogenblikkelijke aanranding

Doctrine

Hazewinkel-Suringa’s/Remmelink

Hazewinkel-Suringa’s/Remmelink merken over aanranding het volgende op: Onder aanranding moet in de eerste plaats een reeds begonnen feitelijke aantasting van lijf, eerbaarheid of goed worden verstaan. In de tweede plaats is van een aanranding sprake ingeval van een gedraging, die een onmiddellijk gevaar voor aanranding betekent. Daarbij wordt verondersteld dat de aangerande persoon niet akkoord gaat met de aanranding. Een aanranding kan ook bestaan, zonder dat er sprake is van een strafbaar feit of een poging daartoe. Indien iemand met gebalde vuist op een ander afkomt, is er geen sprake van een strafbare poging tot mishandeling (art. 300 lid 5 Sr), maar wel een aanranding. Onder ogenblikkelijk valt enerzijds de voltrekkende aanranding, een dief is bijv. bezig te stelen of loopt weg met de buit, maar is nog te achterhalen. Anderzijds valt de dreigende aanranding ook onder de ogenblikkelijkheid, zoals bijv. een inbreker treft voorbereidingen een ruit te forceren of een moordenaar die met een mes op iemand afkomt. De ogenblikkelijkheid ligt dus in de aanranding besloten. Men kan zich ook verdedigen tegen toekomstig gevaar. Zolang er geen ogenblikkelijke aantasting of dreiging is, bestaat er geen staat van noodweer. [10]

Strijards

Strijards verstaat onder aanranding een feitelijke aantasting of een acute dreiging daarvoor, van lijf eerbaarheid of goed. Het vereiste dat de aanranding tevens ogenblikkelijk moet zijn, ligt al in de aanranding opgesloten. Het vereiste van wederrechtelijkheid zit ook in de aanranding opgesloten. Een voornemen van de aanrander tot de aanval over te gaan, is onvoldoende. Er is minimaal een dreigend gevaar nodig. Het is niet noodzakelijk dat de aanranding een strafbaar feit oplevert. Indien de aangerande toestemming gaf tot de aantasting, is er ook sprake van een aanranding. Van noodweer kan dan echter geen sprake zijn, aangezien de aangerande zich willens en wetens in de situatie heeft gebracht. [11]

Machielse

Machielse is van mening dat de aanranding tegen de zin van de verdachte moet geschieden. Derhalve sluit toestemming tot de aantasting toepassing van art. 41 Sr uit., ongeacht of die toestemming wel mocht worden gegeven. In het woord aanranding ligt geen kwalitatieve of kwantitatieve beperking besloten. Onherstelbare schade is niet vereist. De aanranding hoeft kan ook bestaan uit een nalaten. De voorwaarde van ogenblikkelijkheid kan weinig toevoegen aan de overige noodweervoorwaarden.

De grens tussen “enkel vrees” enerzijds en “gegronde vrees voor een onmiddellijk dreigende aantasting”, of “acuut gevaar” o.i.d. anderzijds ligt van geval tot geval anders. Nodig voor het bestaan van een noodweerbevoegdheid is enerzijds dat er minstens zo een onmiddellijk gevaar bestaat, anderzijds dat het gevaar nog niet definitief is bezworen. Opvallend is m.i. nog dat in de rechtspraak over begin en einde der noodweerbevoegdheid het woord “ogenblikkelijk” nergens speciale aandacht krijgt. [12]

[10] Hazewinkel-Suringa’s/Remmelink 1996, p. 316.
[11] Strijards 1987, p. 61-62.
[12] Machielse 1986, p. 710.