Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Rechtspraak

1934

Het hof was van mening dat al mocht uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk zijn geworden, dat het slachtoffer met een vork in de hand in dreigende houding op verdachte is afgekomen en vervolgens met die vork naar verdachte heeft geslagen, uit dat onderzoek niet aannemelijk is geworden, dat verdachte zich niet aan de aanranding had kunnen onttrekken. Verdachte haalde uit met een schop en raakte het slachtoffer met de scherpe zijde in het gezicht. Beroep op noodweer verworpen. [37]

1941

Verdachte stond met zijn broer op het erf van zijn ouders te kijken naar zoeklichten. Op een gegeven moment kwamen er twee personen aan fietsen, van wie hij er één herkende. Een eindje verderop stapten de twee personen van de fiets. Verdachte liep erop af om te kijken wie die personen waren. Verdachte vroeg aan de twee personen of alles goed ging en kreeg als antwoord dat ze niet dronken waren. Vervolgens werden er over en weer nog wat opmerkingen gemaakt en ontstond er een grimmige sfeer. Verdachte ging vervolgens weer naar het huis van zijn ouders, waar zijn broer nog was. Vanaf de dijk zien verdachte en zijn broer een groepje van zes of zeven mannen naderen. De groep mannen leek weer te vertrekken, maar kwamen even later terug en drongen het erf op. De broer van verdachte werd aan gevallen en in de sloot geworpen. Verdachte zag zich genoodzaakt zijn broer te verdedigen en stak met een knipmes één van de mannen neer, die later overleed. Het hof honoreerde het beroep op noodweer en overwoog dat verdachte zich had kunnen onttrekken aan de aanval door de woning in te vluchten, maar gezien de omstandigheden waaronder zij zich bevonden, namelijk bij nacht op het platteland en het milieu waarin betrokkenen verkeerden, mocht dit in redelijkheid niet worden verlangd. [38]

1957

De verdachte had iemand, die hem met een spade bedreigde, een klap gegeven en een fiets tegen het hoofd gegooid, waardoor het slachtoffer een schedelbreuk opliep. Het hof was van mening dat een beroep op noodweer niet opging, omdat de verdachte zich aan de bedreiging had kunnen onttrekken, door de geopende voordeur van zijn ouderlijke woning binnen te gaan of zich langs de zijkant van het huis te verwijderen. De Hoge Raad overwoog onder meer: “Bij het zich kunnen onttrekken aan de aanranding is de verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet noodzakelijk, zodat op grond van genoemde overweging, tot uitdrukking brengend dat een der voorwaarden voor het bestaan van noodweer, te weten de noodzakelijkheid der verdediging, niet aanwezig was, door het Hof het beroep op noodweer kon worden afgewezen.” [39]

1957

Een half jaar later nuanceerde de Hoge Raad de uitspraak van 15 januari 1957 en overwoog: “De bij de toepassing van art. 41 Sr. rijzende vraag of ook dan een feit als geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf, eerbaarheid of goed kan worden aangemerkt, indien de dader onbenut heeft gelaten een voor hem bestaande gelegenheid om zich door verwijdering aan de aanval te onttrekken, is niet vatbaar in algemene zin, daar immers bij de beslissing dienaangaande betekenis toekomt aan waardering van de feitelijke omstandigheden van het bijzondere geval.” [40]

1976

Verdachte raakte in de beneden gelegen garderobe van een bar-discotheek in gesprek met de portier over de vraag of hij zijn jasje diende af te geven. Verdachte begaf zich meteen naar het hoger gelegen barlokaal. Inmiddels was ook de portier die verdachte achtervolgde in het hoger gelegen barlokaal aangekomen. Verdachte kwam in onmiddellijk gevaar te verkeren, want de portier kwam erg dreigend over. Bovendien beschikte de portier over aanmerkelijk meer lichaamskracht dan verdachte. Omstanders probeerden de portier nog tegen te houden, maar konden niet voorkomen dat het tot een treffen kwam. Verdachte kon geen kant meer op, aangezien er geen andere vluchtweg openstond dan via de trap waarlangs hij was gekomen. De rechtbank verwierp het beroep op noodweer, omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, nu niet was gebleken dat de portier ten tijde van het steken enig voorwerp in zijn handen had. Het hof deelde die mening niet en vond dat er wel sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.Tevens stelt het hof dat verdachte zich niet aan de aanval kon onttrekken. Daardoor werd het feit geboden door de noodzakelijke verdediging. [41]

1982

Tijdens een vechtpartij, waar verdachte (politieagent) bij betrokken was, heeft het latere slachtoffer een groot en gevaarlijk knipmes tevoorschijn gehaald. Slachtoffer liep op een gegeven moment weg van de vechtpartij en verdachte liep achter hem aan, met de bedoeling slachtoffer aan te houden en het mes in beslag te nemen. Het slachtoffer maakte zwaaiende bewegingen met het mes in de richting van verdachte. Verdachte voelde dat hij aan het hoofd gewond was en concludeerde daaruit dat hij door het mes was geraakt. Daarop haalde verdachte zijn dienstpistool tussen zijn broeksband vandaan, laadde het door en schoot gericht op de romp van het slachtoffer. Daardoor liep slachtoffer zwaar lichamelijk letsel op. Het hof was van mening dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich niet aan de aanranding had kunnen onttrekken. De Hoge raad overwoog: “Het Hof heeft klaarblijkelijk tot uitdrukking willen brengen dat verdachte zich – op een wijze als in die overweging omschreven – aan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door B. heeft kunnen onttrekken en mitsdien niet kan worden aanvaard dat het begaan van het bewezenverklaarde geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen die aanranding. Dit – niet onbegrijpelijke – oordeel is van feitelijke aard, zodat het in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.” [42]

2000

Verdachte en slachtoffer hadden in een discotheek over en weer geduwd. Onverwachts pakt slachtoffer de verdachte vast, waarbij hij zijn arm om de nek van verdachte hield. Slachtoffer hield verdachte in een zogenaamde wurggreep, waardoor verdachte het benauwd kreeg en probeerde los te komen door met zijn vrije arm in de richting van het slachtoffer te slaan. Het Hof oordeelde dat de verdachte zich uit de voeten had kunnen maken, nadat hij door het slachtoffer werd geduwd en dat hij van die mogelijkheid gebruik had moeten maken. De Hoge Raad overwoog met betrekking tot de noodzakelijkheid van de verdediging: “In aanmerking genomen echter dat er aanvankelijk van niet meer sprake was dan van duwen en dat de verdachte - naar in cassatie moet worden aangenomen – vrijwel onmiddellijk daarna is geconfronteerd met een ernstige mate van geweld waaraan hij zich niet meer kon onttrekken (de verdachte werd zodanig omklemd dat hij het benauwd kreeg), is ’s hofs oordeel erop neerkomende dat niet kan worden gesproken van een situatie welke noopte tot verdediging tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding, zonder nadere motivering, welke in de bestreden uitspraak ontbreekt, niet begrijpelijk.” [43]

2002

Verdachte zat in de bus en twee jongens namen plaats naast hem. De twee jongens begonnen op een gegeven moment met friet door de bus te gooien. Verdachte maakte daar een opmerking over en vroeg de jongens of ze dat normaal vonden. Één van de twee jongens zei dat ze verdachte wel een pak slaag zouden geven als de bus op het station was aangekomen. Verdachte werd daarna nog meerdere malen door de jongens bedreigd. Opeens ging één van de jongens staan en kwam dreigend op verdachte afgelopen. Verdachte zag geen andere uitweg meer en sloeg de jongen tegen zijn neus. Het hof was van mening dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en voegde daar tevens aan toe dat verdediging niet noodzakelijk was, nu verdachte zich aan de aanval had kunnen onttrekken. De Hoge Raad was het niet eens met het hof en overwoog onder meer: “Waar het hof immers in zijn eerste overweging een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding niet aannemelijk heeft geacht, kan aan de tweede overweging alleen redelijke zin worden toegekend als wordt aangenomen dat het hof wel van zodanige aanranding is uitgegaan, maar heeft geoordeeld dat geen sprake was van noodzakelijke verdediging.” [44]

2006

Verdachte die taxichauffeur is, ging met twee andere collega’s naar het huis van het latere slachtoffer om een regeling te treffen voor het feit dat slachtoffer zijn taxirit bij hun collega, niet had betaald. Verdachte en diens mannelijke collega’s waren op de hoogte van het feit dat slachtoffer wel eens agressief kon worden. Door de vrouw van het slachtoffer waren ze telefonisch gewaarschuwd, dat haar man problemen zou veroorzaken en met een koevoet de auto zou kapot maken. Verdachte en zijn collega’s gingen er echter wel heen. Daar aangekomen ontstond er een worsteling en dreigde slachtoffer met de koevoet. Uiteindelijk wist men de koevoet af te pakken en werd slachtoffer daarmee geslagen. Het hof overwoog o.a. dat verdachte en zijn collega alsnog weg hadden kunnen gaan, op het moment dat slachtoffer de koevoet niet meer in handen had. Nu ze dat niet hadden gedaan, vond het hof dat er geen sprake was van een noodzakelijke verdediging. De Hoge Raad overwoog in dit verband: “Wat betreft ’s hofs oordeel dat verdachte en diens medeverdachten alsnog weg hadden kunnen en dienen te gaan op het moment dat A verdachte te hulp schoot en de koevoet van X afpakte, mede op grond waarvan, naar het hof heeft geoordeeld, er geen sprake is van een noodzakelijke verdediging, verdient nog opmerking dat die wat betreft dat tijdstip vastgestelde omstandigheid niet uitsluit dat, zoals aangevoerd en steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, (voordien) sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging geboden was.” [45]

2006

In deze zaak ging het om een verdachte, die ruzie kreeg met zijn buurman. Aanvankelijk praatte de buurman nog vrij rustig, maar op een gegeven moment kwam de buurman hardlopend op verdachte af. Volgens verdachte kon hij geen kant meer op, want achter hem bevonden zich drie paaltjes en twee geparkeerde auto’s. Het hof overwoog onder meer: “Aldus is onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte zich niet door weg te lopen aan de door hem als bedreigend ervaren situatie kon onttrekken.” Daardoor werd het beroep door het hof verworpen. De Hoge Raad vond die motivering niet zonder meer begrijpelijk en overwoog: “Mede in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd en steun vindt in de door de raadsman aangehaalde verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1], inhoudende dat het latere slachtoffer zich agressief jegens de verdachte gedroeg terwijl deze hem juist tot kalmte probeerde te manen, is het in ’s Hofs motivering besloten liggende oordeel dat van de verdachte onder de gegeven omstandigheden mocht worden gevergd dat hij wegliep en dat daarom de omstandigheid dat hij dat niet heeft gedaan, hoewel daartoe de gelegenheid bestond, aan het slagen van het beroep op noodweer in de weg staat, niet zonder meer begrijpelijk.” [46]


[37] Hof Leeuwarden 3 mei 1934, NJ 1935, 1351.
[38] Hof Den Haag 3 februari 1941, NJ 1941, 253.
[39] HR 15 januari 1957, NJ 1957, 187.
[40] HR 18 juni 1957, NJ 1957, 446.
[41] Hof Amsterdam 23 december 1976, NJ 1978, 8.
[42] HR 2 februari 1982, NJ 1982, 384.
[43] HR 21 november 2000, NJ 2001, 160.
[44] HR 11 juni 2002, NJ 2002, 467.
[45] HR 28 maart 2006, LJN AU8087.
[46] HR 21 november 2006, LJN AX9177.