Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Noodzakelijke verdediging (subsidiariteit)

Doctrine

Noyon-Langemeijer-Remmelink

Volgens Noyon-Langemeijer-Remmelink zit het vraagstuk van de subsidiariteit vol onzekerheden. Het gaat daarbij telkens om inschattingen en voorspellingen. Is bedreiging bijvoorbeeld voldoende, of is een gericht schot nodig om de aanvaller te doen afschrikken? De verdediger hoeft niet eerst de minder ingrijpende verdedigingswijzen te beproeven, als daardoor de kansen op een effectieve verdediging ernstig worden verminderd. Een andere bron van onzekerheid is dat rekening moet worden gehouden met capaciteiten, kracht etc. van aanrander en verdediger. Indien bijvoorbeeld de aangevallene zich heeft bekwaamd in het ontwapenen van personen, die met messen op hem afkomen, zal hij kunnen ontwapenen zonder zelf naar een wapen te moeten grijpen. Aan de andere kant is het niet ondenkbaar dat, iemand die door een ander met een wapen wordt bedreigd en de keuze heeft tussen verdediging met een mes of schietwapen van het schietwapen gebruik mag maken, indien het aannemelijk is dat hij het gaat verliezen van de aanrander. Een discussiepunt is of aan aanvaarding van noodweer in de weg staat, als de aangevallene kon vluchten. Vluchten lijkt aangewezen indien de aanrander dwaalt, in de war, van jeugdige of hoge leeftijd is, of een naaste betrekking van de aangerande is. Vluchten kan echter niet worden gevergd, indien de verdediging een derde betreft jegens wie een bijzondere zorgplicht of Garantenstellung bestaat. Voorts kan niet verwacht worden dat de aangerande vlucht, indien de aanranding in zijn eigen woning plaats vindt. [33]

Machielse

Machielse is van mening “dat men in beginsel niet behoeft te vluchten, behoudens tegenindikaties, omdat dat recht doet aan het bijzonder karakter van de noodweer. Als immers de noodweer mede in het teken staat van de rechtsordehandhaving is het onbegrijpelijk, dat het accent bij de toetsing der noodzakelijkheid zo wordt gelegd op de mogelijkheid aan de aanranding te ontkomen.” [34]

De Hullu

De Hullu is van mening dat een relativering van het vluchtvereiste op zijn plaats is, gezien de beleving van noodweersituaties voor de gemiddelde burger. Het zou meer recht doen aan de werkelijkheid: achteraf , in de rechtszaal beoordeeld, kan vluchten als een verstandige oplossing worden gezien, maar mogelijk wordt tegelijkertijd geoordeeld dat het niet kiezen voor die oplossing door de verdachte begrijpelijk was. Voor de aanvaarding van een beroep op noodweer, zou niet moeten worden vereist dat de verdachte een optimale, maar een redelijke oplossing heeft gekozen. Alleen een feitelijk en psychologisch reële, voor de hand liggende vluchtmogelijkheid zou dan een belemmering voor noodweer opleveren. [35]

Kelk

Kelk is van mening dat er geen andere wegen dan zelfverdediging moeten open staan, maar tekent daarbij aan dat er menselijkerwijze van noodzaak sprake moet zijn. Daardoor wordt de striktste vorm van noodzakelijkheid enigszins gerelativeerd. [36]


[33] Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van strafrecht, art. 41, aant. 12-13 (supl. 125).
[34] Machielse 1986, p. 655.
[35] de Hullu 2006, p. 306.
[36] Kelk 1998, p. 277.