Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Samenvatting ontwikkeling in de rechtspraak t.a.v. noodweer

Lijf wordt in de rechtspraak uitgelegd als lichamelijke integriteit en het beperken in de bewegingsvrijheid. Onder eerbaarheid wordt verstaan kuisheid en fatsoen op sexueel gebied. De Rechtbank Rotterdam bepaalde in 1941 (Rechtbank Amsterdam 4 november 1941, NJ 1942, 85) dat ook de eer onder het begrip eerbaarheid valt. Onder het rechtsgoed goed wordt in de rechtspraak verstaan het daadwerkelijk aantasten van het stoffelijk goed, zoals bijvoorbeeld het beschadigen of vernielen daarvan. Het schenden van een recht op een goed is onvoldoende.

Het vereiste van een ogenblikkelijke aanranding betekent in de rechtspraak dat de aanranding van lijf, eerbaarheid of goed reeds begonnen moet zijn en nog niet is beëindigd. De enkele vrees voor zodanige aantasting is onvoldoende bepaalde de Hoge Raad in 1932 (HR 8 februari 1932, NJ 1932, 617). Onder aanranding valt ook een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor (HR 2 februari 1965, NJ 1965, 262).

De rechtspraak verstaat onder het begrip wederrechtelijk dat de persoon die aanvalt, niet daartoe is gerechtigd. Een bevoegde aanhouding door de politie, of bij heterdaad, door een ieder, geschiedt niet wederrechtelijk. Als een dier niet wordt gebruikt als instrument, kan het niet wederrechtelijk handelen.

De rechtspraak met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel in noodweer, heeft de laatste jaren een ontwikkeling doorgemaakt. In 1957 was het standpunt van de Hoge Raad, dat de verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet noodzakelijk is, indien de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken (HR 15 januari 1957, NJ 1957, 187). Er werd derhalve helemaal niet gekeken naar andere feiten en omstandigheden in de noodweersituatie. Het enkele feit dat de verdachte zich had kunnen onttrekken aan de aanval, was voldoende om het beroep op noodweer op basis daarvan af te wijzen. Een half jaar later kwam de Hoge Raad op dat standpunt terug en stelde dat de vraag

“indien de dader onbenut heeft gelaten een voor hem bestaande gelegenheid om zich door verwijdering aan de aanval te onttrekken, is niet vatbaar in algemene zin, daar immers bij de beslissing dienaangaande betekenis toekomt aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het bijzondere geval”

(HR 18 juni 1957, NJ 1957, 446). Door deze uitspraak is een nuancering op het subsidiariteitsbeginsel een feit geworden. Feitelijke omstandigheden en de bijzonderheden van het geval, worden meegewogen ter bepaling of de verdediging wel of niet noodzakelijk is. Het enkele feit dat de verdachte zich aan de aanval had kunnen onttrekken, hoeft daardoor niet meer van doorslaggevende betekenis te zijn. Tot ongeveer 2000 accepteerde de Hoge Raad echter regelmatig de motivering van het Hof, dat het beroep op noodweer werd verworpen, alleen op grond van het feit dat de verdachte zich niet aan de aanval had onttrokken. Van het mee laten wegen van andere feiten en omstandigheden was derhalve nog geen sprake. Vanaf 2000 tot heden oordeelde de Hoge Raad regelmatig dat de motivering van de verwerping van een beroep op noodweer/noodweerexces onbegrijpelijk was, omdat het Hof stelde dat niet aannemelijk was dat de verdachte zich niet aan de aanranding had kunnen onttrekken. Opvallend daarbij is dat de Hoge Raad nu zelf concretiseert welke feiten en omstandigheden dan precies worden meegewogen. Na het zich kunnen onttrekken onmiddellijk worden geconfronteerd met een ernstige mate van geweld, laat de Hoge Raad meewegen als omstandigheid ter beoordeling van de noodzakelijkheid van de verdediging (HR 21 november 2000, NJ 2001, 160). Het feit dat het wapen waarmee iemand wordt aangevallen is afgepakt en het feit dat verdachte hulp krijgt bij de verdediging, betekent nog niet dat de verdediging niet meer noodzakelijk is. Ook hier wordt weer gekeken naar het totaalbeeld van de situatie (HR 28 maart 2006, LJN: AU 8087). Indien de aanrander erg agressief is, terwijl de aangevallene juist hem probeert te kalmeren, zijn dit omstandigheden die meewegen ter bepaling of van de verdachte nog wel kon worden gevergd te vluchten. Hoewel het theoretisch mogelijk is te vluchten, kan dat niet onder alle omstandigheden worden verwacht van iemand die zich in een noodweersituatie bevindt (HR 21 november 2006, LJN: AX 9177).

In de geboden verdediging zit het proportionaliteitsbeginsel opgesloten. In de rechtspraak vindt een toetsing plaats in de verhouding tussen de ernst van de aanranding enerzijds en de zwaarte van het ingezette verdedigingsmiddel anderzijds. Het aangerande rechtsgoed speelt daarbij een rol, naast de middelen die voor een effectieve verdediging noodzakelijk zijn. Alleen de echte wanverhoudingen tussen middel en doel, leiden tot overschrijden van het proportionaliteitsbeginsel. Ook hier spelen dus de omstandigheden van het geval een rol.

Met betrekking tot de eerste variant van culpa in causa, het willens en wetens handelen of provoceren , is de rechtspraak heel duidelijk. Iemand die de confrontatie provoceert of willens en wetens opzoekt, komt niet voor noodweer/noodweerexces in aanmerking. Naar mijn mening is een dergelijke opstelling in de rechtspraak ook redelijk, want het kan niet de bedoeling van strafuitsluitingsgronden zijn iemand daarvan te laten profiteren, die zich willens en wetens in de situatie werkt. Is dat wel het geval, dan is culpa in causa van doorslaggevende betekenis.

Ten aanzien van de tweede variant, het nemen van voorzorgsmaatregelen, ook wel geanticipeerd noodweer genoemd, is de rechtspraak ook consistent. Alleen het feit dat iemand een legaal/illegaal wapen bij zich draagt, is onvoldoende om op grond daarvan een beroep op noodweer af te wijzen. Dit past bij het betrekkelijke karakter van culpa in causa.

In de derde variant van culpa in causa, de opgezochte confrontatie, is een ontwikkeling in de rechtspraak te ontdekken. Tot 1997 was de rechtspraak erg wisselvallig ten aanzien van deze variant. Regelmatig ging de Hoge Raad akkoord met de motivering dat de verdachte de confrontatie had opgezocht en daardoor niet een beroep op noodweer/noodweerexces kon doen. Dat betekent dus dat culpa in causa van doorslaggevende betekenis was. Door het “tuinderskasarrest” is daar verandering in gekomen (HR 29 april 1997, NJ 1997, 627). De verdachte zocht weliswaar de confrontatie op, maar de Hoge Raad keek ook naar andere feiten en omstandigheden. Verdachte werd namelijk geconfronteerd met een ernstige mate van geweld, waaraan hij zich niet meer kon onttrekken. Deze omstandigheden had het hof moeten betrekken in de beoordeling. Daardoor was de motivering, dat verdachte bewust de confrontatie had opgezocht onvoldoende. Culpa in causa hoeft daardoor dus niet beslissend te zijn voor een geslaagd beroep op noodweer. In 2000 herhaalde de Hoge Raad deze overweging (HR 21 november 2000, NJ 2001, 160). De trend zette zich door in 2006, toen de Hoge Raad niet akkoord ging met de motivering van het hof dat de verdachten de confrontatie hadden opgezocht. Ook hier werd het feit dat het latere slachtoffer erg agressief was meegewogen ter beoordeling van noodweer. Verdachten waren op de hoogte van het feit, dat een agressieve reactie van het latere slachtoffer was te verwachten, maar ondanks dat werd geen culpa in causa aangenomen. Hieruit blijkt dat culpa in causa niet te snel moet worden aangenomen en zeker niet van doorslaggevende betekenis is (HR 28 maart 2006, LJN: AU 8087).

Uit de rechtspraak blijkt, dat voor een geslaagd beroep op putatief noodweer vereist is dat de verdachte dwaalde ten aanzien van de feiten of het recht. Het moet om een verschoonbare dwaling gaan en de subjectieve beleving van verdachte is niet doorslaggevend. Indien er sprake is van een vergissing die de objectieve waarnemer niet zou hebben gemaakt, slaagt het beroep op putatief noodweer niet.