Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Rechtspraak

1934

Deze zaak werd door mij al eerder behandeld, maar daar speelde de proportionaliteit ook een rol. Slachtoffer kwam in een dreigende houding, met een vork in de hand, op verdachte toegelopen en maakte slaande bewegingen met de vork. Als reactie daarop sloeg verdachte het slachtoffer met de scherpe zijde van een schop in het gezicht. Ten aanzien van de proportionaliteit overwoog het hof dat niet gebleken is van een zekere verhouding tussen de aanranding en de verdediging. [50]

1950

Verdachte lag in bed toen haar vader dronken thuis kwam. Op een gegeven moment kwamen ook haar broers (medeverdachten) thuis. Verdachte stond op, nadat zij hoorde dat haar vader hevig tekeer ging tegen haar moeder. Ze vreesde voor ongelukken. Verdachte kleedde zich aan en zag dat haar vader een harde klap gaf tegen een radio. Toen haar moeder de radio trachtte te beschermen, kreeg zij een duw van haar vader, waardoor zij viel. Verdachte’s broers waren inmiddels wakker geworden en gingen hun vader te lijf en ontstond er een gevecht. Toen haar vader op de grond lag, heeft verdachte haar vader een paar harde klappen op het hoofd gegeven met een zogenaamde kachelpook. Verdachte’s broers sloegen hun vader met een sannieplank en een strijkbout op het hoofd. Uiteindelijk is hun vader overleden. De rechtbank wees het beroep op noodweer af en overwoog: “tussen de ter verdediging gebruikte middelen enerzijds – namelijk het herhaaldelijk slaan op het hoofd van de aanrander met zeer harde en tot het toebrengen van tenminste zware verwondingen uiterst geëigende voorwerpen, terwijl de aanrander niet meer overeind stond – en het veilig stellen van het door de aanrander aangevallen subject en object anderzijds bestaat hier een zodanige wanverhouding, dat de vorenbedoelde handelingen niet meer gepast genoemd kunnen worden.” [51]

1979

Tussen verdachte en slachtoffer is een handgemeen ontstaan. Slachtoffer had een hondenketting in zijn hand en daardoor sloeg verdachte op de vlucht. Toen het weer tot een confrontatie kwam, stak verdachte het slachtoffer met een mes. Het hof nam aan dat verdachte heeft gehandeld ter verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke aanranding, maar daarbij de grenzen heeft overschreden. Verdachte liep slechts het risico dat hij klappen kreeg met de hondenketting, terwijl het hanteren van een mes levensgevaarlijk is. Door het overschrijden van de proportionaliteit, werd het beroep op noodweer afgewezen. De Hoge Raad kon zich daar in vinden en overwoog dat het hof bij deze verwerping geen blijk gegeven had een onjuiste maatstaf te hebben aangelegd. [52]

1983

Verdachte (politieagent) ging met zijn collega naar een woning, omdat een vrouw flesjes naar buiten gooide en daardoor een auto had beschadigd. Toen verdachte met zijn collega de woning binnen ging, troffen zij aldaar een vrouw op bed liggend aan. Opeens kwam ze overeind en vroeg of ze water uit de keuken mocht halen. Verdachte volgde haar naar de keuken en in plaats van water te pakken, pakte de vrouw een keukenmesje en riep: “ik steek je kapot”. Daarop greep verdachte naar zijn dienstpistool en sommeerde haar het mesje neer te leggen, hetgeen ze weigerde. Verdachte loste toen een waarschuwingsschot in het plafond en sommeerde nogmaals het mesje neer te leggen. Vervolgens kwam de vrouw op verdachte af, waarop verdachte een stap achterwaarts deed, maar kwam toen in aanraking met zijn collega, waardoor hij zich ingesloten voelde. Toen loste verdachte het dodelijke schot. Het hof vond dat verdachte niet de proportionaliteit had overschreden en stelde vast dat het de bedoeling van verdachte was dat de vrouw bij het zien van het wapen tot bedaren zou komen, maar dat werkte juist andersom, namelijk dat de vrouw tot de aanval overging. De tijd en afstand waren te kort geweest voor een andere verdediging. Ook woog voor het hof mee dat het een jonge agent betrof die nog ongeoefend was in wapengebruik en niet opgeleid was in het oplossen van conflicten. Op grond daarvan honoreerde het hof het beroep op noodweer. Het ingestelde beroep werd verworpen door de Hoge Raad. [53]

1989

Verdachte zat argeloos aan de bar, toen hij werd beroofd van drugs en geld door het latere slachtoffer. Het slachtoffer had tijdens de beroving een mes bij zich. Verdachte verweerde zich onmiddellijk tegen de beroving en maakte daarbij ook gebruik van een mes. Slachtoffer stak op verdachte in en verwondde hem licht. Verdachte stak daarop weer op het slachtoffer in en verwondde hem toen dodelijk. Het hof vond dat er geen sprake was van een noodzakelijke verdediging, omdat er een extreme wanverhouding bestond tussen de aanranding enerzijds en de wijze van verdedigen anderzijds. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof en overwoog: “’s Hofs vaststelling dat er tussen de aanranding en de aan de verdediging verbonden risico’s (waarmee het hof blijkbaar doelt op het aan de verdediging verbonden gevaar voor eigen leven van de verdachte) een extreme wanverhouding bestond kan immers weliswaar van belang zijn bij de beoordeling of tot verdediging tegen die aanranding het begane feit geboden kon worden geacht, doch levert op zichzelf onvoldoende grond voor zijn oordeel dat in redelijkheid geen noodzaak tot verdediging in de zin van art. 41 Sr aanwezig kan worden geacht.” [54]

2006

Het latere slachtoffer begaf zich naar de woning van verdachte en sloeg daar een ruit in. Vervolgens trapte het slachtoffer de deur van de woning in en drong naar binnen. Verdachte schoot toen het slachtoffer met een pistool in de rechterbovenarm. Het hof overwoog dat uit de geschetste feiten en omstandigheden aannemelijk is geworden dat door het handelen van het slachtoffer sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweer werd echter afgewezen, aangezien verdachte disproportioneel handelde. Het schieten met een pistool staat namelijk niet in verhouding tot het binnentreden van een woning. [55]


[50] Hof Leeuwarden 3 mei 1934, NJ 1935, 1351.
[51] Rechtbank Amsterdam 10 augustus 1950, NJ 1952, 280.
[52] HR 1 mei 1983, DD.79.261.
[53] HR 1 maart 1983, NJ 1983, 468.
[54] HR 13 juni 1989, NJ 1990, 193.
[55] HR 12 december 2006, LJN AY8330.