Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Geboden verdediging (proportionaliteit)

Doctrine

De Hullu

Volgens de Hullu, gaat het bij de toets of de verdediging proportioneel was, vooral om de keuze van de verdedigingswijze en de intensiteit ervan. De maatstaf wordt hier door de ernst van de aanranding bepaald, waarvoor het aangerande rechtsgoed van groot belang is en door de middelen die voor een effectieve verdediging minimaal noodzakelijk zijn. Derhalve bepalen de omstandigheden van het geval de proportionaliteitstoets. De wetgever heeft beoogd om wanverhoudingen tussen doel en middel, dus disproportionaliteit, buiten de noodweerbevoegdheid te houden. [47]

Noyon, Langemeijer, Remmelink

Noyon, Langemeijer, Remmelink merken over de proportionaliteit het volgende op: De verdediger wil de aanranding een halt toeroepen en wil door zijn ingrijpen voorkomen dat de aanrander schade aanricht, maar die schade bestaat enkel in potentie. Het effect van de verdediging staat evenmin bij voorbaat vast. Het gaat steeds om een afweging van risico’s, waarbij menselijke ervaring en een redelijke voorzienbaarheid een belangrijke rol spelen. Het gaat vaak om een afweging tussen moeilijk vergelijkbare grootheden. Als een stoffelijk goed wordt aangerand en de enige mogelijkheid om het goed te behouden is een aanval op het lijf van de aanrander, is de vraag natuurlijk hoever men daar in mag gaan. Ook wanneer het gaat om de verhouding van vergelijkbare rechtsgoederen, komt de vraag opdagen hoever iemand mag gaan in de verdediging. Zo is het moeilijk te beoordelen of een steek met een mes in het been, ernstiger is dan een schot met een pistool in het been. [48]

Machielse

Machielse is van mening dat het stellen van een evenredigheidseis er niet toe mag leiden dat de verdediging op een goudschaaltje gewogen gaat worden. Het lijkt in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever de evenredigheidseis zo toe te passen dat slechts excessen worden uitgebannen. [49]


[47] De Hullu 2006, p. 306.
[48] Noyon, Langemeijer, Remmelink, Het wetboek van strafrecht, art. 41, aant. 14 (supll. 125).
[49] Machielse 1986, p. 713.