Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Rechtspraak

1949

In deze zaak ging het om een verdachte die vier maal had geschoten op het slachtoffer. Omdat het slachtoffer reeds betrekkelijk geruime tijd kreunend op de weg lag, was het vierde schot volgens het hof niet het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging. De vraag of de rechter terecht een onmiddellijk gevolg niet heeft aangenomen, was een vraag van feitelijke aard en kon derhalve niet meer in cassatie worden getoetst. [94]

1986

Verdachte had het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toegebracht, door het slaan met een ijzeren buis. Het beroep op noodweerexces werd door het hof verworpen, omdat verdachte boos was en alvast de ijzeren buis had klaargezet om eventueel als wapen te gebruiken. Daardoor was het slaan met de buis niet het gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. De Hoge Raad kon zich daar in vinden. [95]

2005

Dat het overschrijden van de grenzen moet het onmiddellijk gevolg zijn van de hevige gemoedsbeweging, blijkt uit deze zaak nogmaals. Verdachte werd door het slachtoffer in de bijkeuken met de keukendeur in het gezicht geslagen. Toen de keukendeur dicht was, rende verdachte naar de kelderkast en pakte daaruit een geladen vuurwapen. Vervolgens liep verdachte terug naar de keuken, ging de bijkeuken binnen en schoot herhaaldelijk op het slachtoffer. Ten gevolge daarvan is het slachtoffer overleden. Volgens het hof was niet aannemelijk geworden dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een wederrechtelijke aanranding. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. [96]

2006

Verdachte kreeg ruzie met familieleden van het slachtoffer en raakte in gevecht met twee personen. De broer van verdachte, die slecht ter been is, probeerde de vechtpartij te sussen, maar kreeg klappen en kwam ten val. Toen hij probeerde op te staan, werd hij tegen de grond geduwd. Toen verdachte zag dat zijn broer op de grond lag en belaagd werd, rukte hij zich los uit het gevecht en ging door de openstaande voordeur van zijn woning naar binnen. Uit het huis nam verdachte een koevoet mee en kwam meteen weer naar buiten. Toen verdachte zag dat zijn broer nog steeds werd belaagd, maakte hij zwaaiende bewegingen met de koevoet en raakte daarbij het slachtoffer op zijn duim en hoofd, die daardoor letsel opliep. Het hof verwierp het beroep op noodweerexces, nu verdachte niet enkel als gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door de belaging van zijn broer werd veroorzaakt, de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden. De Hoge Raad kon zich niet in het standpunt van het hof vinden en overwoog dat uit het vereiste dat de gedraging het onmiddellijk gevolg moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar niet dat geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging. [97]

2006

In deze zaak die door mij al eerder werd behandeld, verwierp het hof het beroep op noodweerexces, omdat het disproportionele handelen van verdachte, niet het gevolg was van de door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedstoestand, maar van een persoonlijkheidsstoornis. De Hoge Raad kon zich daar in vinden en overwoog nog dat de stelling van de verdediging dat het hof het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis waarvan sprake het beroep op noodweerexces uitsluit, het arrest van het hof berust op een verkeerde lezing. [98]


[94] HR 22 november 1949, NJ 1950, 179.
[95] HR 14 oktober 1986, NJ 1987, 442.
[96] HR 12 april 2005, LJN AS8469.
[97] HR 13 juni 2006, LJN AW3569.
[98] HR 12 december 2006, LJN AY8330.