Noodweer(exces).nl

De beste informatie over deze ingewikkelde strafuitsluitingsgronden

Rechtspraak ten aanzien van de opgezochte confrontatie

1948

Verdachte was een loods binnengedrongen om daar hout te stelen. Het slachtoffer, die eigenaar van de loods was, kwam de loods binnen en viel de verdachte aan met een ijzeren buis. Na een aantal slagen lukte het verdachte de buis af te pakken van het slachtoffer. Verdachte kneep toen de keel van het slachtoffer dicht. Ten aanzien van culpa in causa overwoog het hof dat verdachte door eigen ongeoorloofd handelen in de noodweersituatie terecht was gekomen. Onder meer daardoor strandde het beroep op noodweer. [67]

1969

Tussen twee rivaliserende partijen kwam het tot een schotenwisseling. Tijdens de schietpartij schoot verdachte iemand dood. De rechtbank was weliswaar van mening dat aan de eisen van een noodweersituatie was voldaan, maar verwierp het beroep op noodweer. Er was namelijk geen sprake van rechtsverdediging en de aanval was te verwachten, omdat de twee groepen al maanden lang een conflict hadden. [68]

1989

Verdachte en medeverdachte bezochten een café. In dit café heeft laatstgenoemde de neef van het latere slachtoffer laten struikelen. Daarop gaf het latere slachtoffer de verdachte een kopstoot. Buiten het café kreeg verdachte nog eens klappen van een kleurling. Verdachte wilde toen wraak nemen en is naar huis gegaan, kleedde zich om en stak een mes bij zich, teneinde zich bij een nieuwe vechtpartij beter te kunnen verdedigen. Verdachte vertrok vervolgens weer naar het café en ontmoette daar medeverdachte weer. Samen zijn de verdachten toen richting het huis vertrokken van het slachtoffer. Aldaar is het weer tot ruzie gekomen en stak verdachte het slachtoffer met het mes in de buik. Het hof verwierp het beroep op noodweer, nu verdachte zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht. De Hoge Raad overwoog: “In ’s hofs feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel dat de verdachte onder de door het hof vastgestelde omstandigheden zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht ligt besloten dat het hof niet aannemelijk acht dat de verdachte heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke aanranding, of als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door een zodanige aanranding veroorzaakt. Uitgaande van dat oordeel heeft het hof het beroep op noodweer resp. noodweerexces terecht verworpen.” [69]

1996

Verdachte was bij Marcelino op visite, toen hij aldaar werd bedreigd door het latere slachtoffer, die daar aan de deur kwam. Verdachte zou uitgaan met een vriend, die hij op zou halen bij Marcelino thuis. Toen hij vervolgens opnieuw met een paar vrienden naar Marcelino ging, kwam hij daar het slachtoffer weer tegen. Het slachtoffer begon toen op verdachte te schieten, waarop verdachte terug schoot en het slachtoffer raakte. Het hof vond dat er geen sprake was van een noodweersituatie, aangezien de verdachte zelf de confrontatie met slachtoffer was aangegaan. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof zonder nadere motivering niet begrijpelijk en overwoog: “Immers, de enkele omstandigheid dat het slachtoffer eerder op de avond bij een derde aan de deur was geweest en toen de verdachte, die zich bij die derde bevond, met een vuurwapen had bedreigd, brengt niet mee dat de verdachte, toen hij zich later op de avond wederom naar de woning van die derde begaf daardoor de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht.” [70]

1997

In deze zaak, ook wel bekend geworden onder de naam “tuinderskasarrest”, speelde zich het volgende af: Verdachte leefde met zijn broers in onmin over het recht van overpad. Op een dag vroeg verdachte of ze een aanhangwagen, die in de weg stond, wilden weghalen. De zoon van één van de broers zei dat hij weg moest gaan, maar verdachte bleef staan. De zoon greep pakte toen verdachte’s hoofd onder zijn arm en greep zijn arm vast, waardoor verdachte geen lucht meer kreeg. Verdachte pakte toen uit zijn broekzak een schaar en stak daarmee in het lichaam van zijn neef. Het hof verwierp het beroep op noodweer, nu verdachte was blijven staan, wist met een heetgebakerd persoon te maken te hebben en daardoor bewust de confrontatie had opgezocht. De Hoge Raad overwoog echter het volgende: “In aanmerking genomen echter, dat de verdachte – naar zoals uit het voorgaande volgt in cassatie moet worden aangenomen – vrijwel onmiddellijk daarna is geconfronteerd met een ernstige mate van geweld, waaraan de verdachte zich niet meer kon onttrekken )de verdachte werd zodanig omklemd dat hij geen lucht meer kreeg), is ’s hofs oordeel dat niet kan worden gesproken van een situatie welke noopte tot verdediging tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding zonder nadere motivering, welke in de bestreden uitspraak ontbreekt, niet begrijpelijk.” (overweging herhaald in HR 21 november 2000, NJ 2001, 160). [71]

2003

In de relationele sfeer speelde zich het volgende af: Verdachte had contact met de vriendin van het latere slachtoffer. Omdat het latere slachtoffer verdachte bedreigde, droeg verdachte voortdurend een vuurwapen bij zich. Na een cafébezoek, bracht verdachte de vriendin van het latere slachtoffer thuis. Daar aangekomen ging verdachte met haar de woning binnen. Het slachtoffer zou niet thuis komen, want hij logeerde bij zijn broer en zou zijn vriendin met rust laten. Tegen alle verwachtingen in, kwam het slachtoffer wel thuis. Hij belde aan, trapte de deur in en stormde het huis binnen. Verdachte bevond zich in de slaapkamer, toen het slachtoffer op hem afkwam met een dolk in zijn hand. Verdachte schoot toen twee maal op het slachtoffer, die overleed. De rechtbank was van oordeel dat verdachte bewust de confrontatie had opgezocht. Het hof was het daar niet mee eens en overwoog onder meer: “Het hof acht het enkele feit dat verdachte met de vriendin van het latere slachtoffer de woning is binnengegaan en daarbij zijn (geladen) pistool heeft meegenomen niet zodanig onvoorzichtig, laat staan rechtens laakbaar, dat hem op die grond een beroep op noodweer moet worden ontzegd.” [72]

2006

In het “taxi-arrest”, dat ik al eerder behandelde en daarom niet meer inhoudelijk bespreek, overwoog het hof ten aanzien van culpa in causa, dat verdachte meermalen was gewaarschuwd voor het feit dat het slachtoffer gewelddadig zou kunnen worden en zich daardoor willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het slachtoffer te verwachten was. Ten aanzien van culpa in causa overwoog de Hoge Raad echter: “Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door de verdachte. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie. Die omstandigheid sluit, anders dan het hof heeft geoordeeld, op zichzelf niet uit dat – in aanmerking genomen de blijkens de gebezigde bewijsmiddelen door het hof vastgestelde (ernstige) agressie van Zuidema toen de verdachte en zijn collega’s ter plaatse waren gekomen – ten aanzien van de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde gedragingen sprake was van een noodzakelijke verdediging in de zin van art. 41 Sr. Hetgeen het Hof heeft overwogen (…) is evenmin voldoende om te kunnen aannemen dat hier sprake is van een zodanige ‘eigen schuld’ (…) dat dit aan aanvaarding van het beroep op noodweer(exces) in de weg staat.” [73]


[67] Hof Amsterdam 20 februari 1948, NJ 1948, 265.
[68] Rechtbank Den Haag 23 december 1969, NJ 1970, 402.
[69] HR 24 oktober 1989, NJ 1990, 353.
[70] HR 1 juli 1996, NJ 1996, 753.
[71] HR 29 april 1997, NJ 1997, 627.
[72] HR 27 mei 2003, NJ 2003, 512.
[73] HR 28 maart 2006, LJN AU8087.